Een tijd geleden had ik een gesprek met iemand. Ik weet niet eens meer met wie of in welke setting, maar ik herinner me wel dat die persoon zei dat ik overkom als een zelfverzekerd persoon. Iemand die binnenkomt en laat zien dat hij er is.
Ik denk dat mijn vriendin het daar wel mee eens zal zijn. Sterker: ik weet dat zij het irritant vindt ik dat ik in sommige situaties zo ‘vol’ van mijzelf ben. Als ik eerlijk ben, dan ben ik in veel gevallen ook wel overtuigd van mijn eigen kunnen. Zo denk ik dat ik heel goed ben in mijn werk, dat ik de beste coach ben die Feyenoord nooit heeft gehad en dat ik creatief ben. Ik heb meerdere malen een idee gehad, wat op dat specifieke moment het beste idee ooit was… om er daarna niets mee te doen.
Zo had ik ooit wilde plannen voor een koffiezaak, wilde ik een eigen ontwerpbureau beginnen, had ik ideeën om salestrainingen te gaan geven, en dacht ik dat ik wel een boek zou kunnen schrijven. Drie van de vier zijn nooit gebeurd en je weet dat ik een boek heb uitgebracht.
Die houding van mij is overigens niet altijd aanwezig. Er zijn genoeg situaties waarin ik twijfel over mijn kunnen of mijn kwaliteit. Mijn grootste onzekerheden: het zijn van de beste vader, of het beste vriendje. Uiteindelijk zijn er voor allebei geen opleidingen. En al waren die er wel, dan zou ik ze nooit gevolgd hebben. Ik ben meer een type dat zelf dingen leert. Zoals oud Feyenoord coach – en ex-bondscoach – Bert van Marwijk ooit zei: ‘Ervaring krijg je door te ervaren.’
Mensen die me goed kennen weten overigens ook dat veel van mijn uitspattingen vallen onder de noemer cabaret. Toen ik tegen mijn vriendin zei dat ik mijn verhalen wilde gaan bundelen en op zou gaan sturen naar uitgevers, dacht ze waarschijnlijk dat ook dit een grap was – of dat ik het binnen een paar weken wel op zou geven. Beide gedachten waren volledig terecht en begrijpelijk. Maar ik zette door en er kwam een boek.
En een bak onzekerheid.
Want bij het ‘auditeren’ naar een plekje als auteur hoort nu eenmaal afwijzing. En na de zoveelste e-mail ging ook denken:
Is dit wel genoeg?
Kan ik wel schrijven?
Waarom heb je dit bedacht? Dit gaat natuurlijk nooit wat worden…
Totdat Boekscout positief reageerde. Om daarna met een waslijst aan aanpassingen te komen voordat het boek daadwerkelijk naar de drukker kon. Nieuwe ronden, nieuwe kansen, dezelfde twijfel – maar nu in het kwadraat.
Die twijfel zal wel blijven. Ik merk het ook nu bij het schrijven van mijn tweede boek. Ik typ en zet mijn laptop met een grote glimlach uit. Een dag later loop ik buiten en twijfel ik over de laatste pagina’s. Nu ik richting het einde schrijf, twijfel ik zelfs over… over wat niet eigenlijk?
De opening;
De naam van mijn hoofdpersoon;
Is het niet té zwaar, moet ik ‘luchtiger’ maken?
Lastig… want ergens voel ik dat het wel degelijk goed is. Het voelt groter dan Dezelfde botten, vooral omdat het nu één verhaal is in plaatst van negentien korte. Bovendien weet ik, door de eerdere ervaring, dat ik nog genoeg zal aanpassen in dit verhaal nadat ik het voor de eerste keer heb gelezen. En dat er daarna – na de zoveelste redigeerronde – alinea’s zullen verdwijnen en zullen ontstaan.
En dan weer die twijfel.
En dan weer dat stemmetje dat zegt: ‘Het is goed zo…’
Om daarna mijzelf te horen zeggen: ‘Goed? Het is het beste dat er ooit is geschreven.’
Cabaret…



