‘Waar komen je personages eigenlijk vandaan?’
Het is een vraag die ik zo nu en dan krijg. Alsof er ergens in mijn hoofd een soort castingbureau zit waar ze netjes op een rij staan. Met een naam, een leeftijd en een volledig uitgewerkt karakter. Was het maar zo… de waarheid is een stuk rommeliger.
In het geval van Dezelfde botten begon een verhaal niet met een persoon, maar met een situatie. Een beeld.. een gevoel dat ergens bleef hangen. Geen volledige verhalen, maar momenten. Iemand die ergens zit. Iemand die iets kwijt is. Iemand die een keuze moet maken.
En in die eerste fase waren die mensen eigenlijk nog helemaal geen mensen.
Ze hadden geen naam.
Geen geslacht.
Dat heb ik bewust zo gedaan. Ik wilde dat de lezer zich zo makkelijk mogelijk in de situatie kon verplaatsen. Niet denken: dit gaat over hem of dit gaat over haar, maar gewoon: dit gaat over iemand. De ik- en jij-vorm bleken daar perfect voor te werken. Het verhaal werd daardoor minder een portret van een persoon en meer een ervaring waar je als lezer zelf even in kon stappen.
Pas later begon dat te veranderen. Op een gegeven moment wilde ik een verhaal van de andere kant laten zien. Dezelfde situatie, maar bekeken vanuit een ander perspectief. Toen besloot ik iets te doen wat ik eerder juist had vermeden: ik gaf de personages namen.
Niet alleen omdat het daarmee voor mij als schrijver meer ging leven, maar ook omdat ik een klein effect wilde bereiken. Een moment waarop een lezer misschien even denkt: wacht eens… is dit een man? Dat kleine moment van verwarring vond ik interessant.
Ik vind het dan ook fantastisch als iemand tegen mij zegt dat de ik-persoon een man was, terwijl ik het juist als vrouw had bedacht.
Overigens betekent dat niet dat mijn personages volledig uit de lucht komen vallen. Soms zit er een klein beetje van iemand uit mijn eigen leven in. Een manier van praten, een houding, een herinnering. Maar zodra dat gebeurt, probeer ik er altijd mijn eigen draai aan te geven. Anders voelt het al snel als kopiëren.
Het grappige is dat sommige personages tijdens het schrijven ineens blijven hangen, zoals met Selma. In het verhaal Geen idee ontmoet hoofdpersoon Daan haar. Ze was eigenlijk bedoeld als bijpersonage, iemand die even langskomt in het verhaal en daarna weer verdwijnt. Maar toen ze op papier stond, merkte ik dat ik haar niet los kon laten.
Selma is warm en iets ouder dan hoe ik mijn personages zelf in mijn hoofd heb. Iemand die een beetje haaks staat op de snelheid waarmee we tegenwoordig leven. Ze heeft veel meegemaakt en ook veel verloren, en juist daardoor zit er een soort rust en diepte in haar.
Ik vond haar simpelweg te leuk om maar één keer te laten bestaan en dus kreeg ze een eigen verhaal.
Dat soort dingen zijn nooit gepland. Het ontstaat tijdens het schrijven. Net zoals sommige personages meteen meewerken en andere juist tegenstribbelen. Dat hoort er allemaal bij. Wat ik zelf het mooiste vind aan personages, is dat ze vaak beginnen als iets heel vaags. Een gevoel, een situatie, een stem zonder gezicht. En ergens onderweg, tussen de eerste zin en de laatste pagina, worden ze langzaam iemand.



